Europese Richtlijnen

Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt („de IMIverordening”), gewijzigd door richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013

Verloskundigen

Artikel 40

Opleiding tot verloskundige

1. De opleiding tot verloskundige omvat in totaal ten minste één van de volgende

opleidingen:

a) een specifieke voltijdse opleiding tot verloskundige van ten minste drie jaar theoretisch en

praktisch onderwijs (mogelijkheid I) die ten minste het in bijlage V, punt 5.5.1, opgenomen

programma omvat, of

b) een specifieke voltijdse opleiding tot verloskundige van 18 maanden (mogelijkheid II) die

ten minste het in bijlage V, punt 5.5.1, opgenomen programma omvat, voor zover dit niet op

gelijkwaardige wijze is onderwezen in het kader van de opleiding tot verantwoordelijk

algemeen ziekenverpleger.

De lidstaten zien erop toe dat de met de opleiding van verloskundigen belaste inrichting

verantwoordelijk is voor de coördinatie tussen theorie en praktijk gedurende het gehele

studieprogramma.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast

te stellen tot wijziging van de lijst in bijlage V, punt 5.5.1, teneinde dit aan te passen aan de

wetenschappelijke en technische vooruitgang.

De in de derde alinea bedoelde wijzigingen mogen voor geen enkele lidstaat een wijziging

van de bestaande essentiële rechtsbeginselen betreffende de regeling van beroepen met

betrekking tot de opleiding en toegangsvoorwaarden voor natuurlijke personen inhouden.

Deze aanpassingen laten de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de organisatie van

de onderwijsstelsels als neergelegd in artikel 165, lid 1, VWEU onverlet.

2. Voor de toelating tot de opleiding tot verloskundige moet aan een van de volgende

voorwaarden zijn voldaan:

a) voor mogelijkheid I, het doorlopen van ten minste 12 jaar algemene schoolopleiding of een

certificaat ten bewijze dat men geslaagd is voor een gelijkwaardig toelatingsexamen voor

scholen voor verloskundigen;

b) voor mogelijkheid II het bezit van een opleidingstitel van verantwoordelijk algemeen

ziekenverpleger zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2

3. De opleiding tot verloskundige waarborgt dat de betrokken beroepsbeoefenaar de

volgende kennis en vaardigheden heeft verworven:

a) grondige kennis van de wetenschappen waarop de werkzaamheden van de verloskundige

berusten, met name de verloskunde en de gynaecologie;

b) voldoende kennis van de beroepsethiek en de wetgeving die relevant is voor de

uitoefening van het beroep;

c) voldoende kennis van de algemene medische wetenschap (biologische functies, anatomie

en fysiologie) en van de farmacologie op het gebied van de verloskunde en de perinatologie,

alsmede kennis van het verband tussen de gezondheidstoestand en de fysieke en sociale

omgeving van de mens en van zijn gedrag;

d) voldoende klinische ervaring, zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid opgedaan

in erkende inrichtingen waar verloskundigen, voor zover nodig en met uitsluiting van

pathologische situaties, prenatale zorg kunnen verstrekken, een bevalling kunnen uitvoeren

en kunnen zorgen voor de opvolging daarvan in een erkende instelling, en toezicht kunnen

houden bij baringen en bevallingen, postnatale zorg en neonatale reanimatie, in afwachting

van een arts;

e) voldoende op de hoogte zijn van de opleiding van het op het gebied van de

gezondheidszorg werkzame personeel en ervaring op het gebied van de samenwerking met

dit personeel.

 

Artikel 41

Regels ten aanzien van de erkenning van de opleidingstitels van verloskundige

1. De in bijlage V, punt 5.5.2 , bedoelde opleidingstitels van verloskundige worden

overeenkomstig artikel 21 automatisch erkend indien zij aan een van de volgende

voorwaarden voldoen:

a) een voltijdse opleiding tot verloskundige van ten minste drie jaar, eventueel aanvullend

uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten, die ten minste 4 600 uur theoretisch

en praktisch onderwijs omvat, waarvan ten minste een derde betrekking heeft op klinisch

onderwijs;

b) een voltijdse opleiding tot verloskundige van ten minste twee jaar, eventueel aanvullend

uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten, die bestaat uit ten minste 3 600 uur,

waarvoor het bezit is vereist van een opleidingstitel van verantwoordelijk algemeen

ziekenverpleger zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2 ;

c) een voltijdse opleiding tot verloskundige van ten minste achttien maanden, eventueel

aanvullend uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten, die ten minste 3 000 uur

omvat, waarvoor het bezit is vereist van een opleidingstitel van verantwoordelijk algemeen

ziekenverpleger zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2 , en gevolgd door een praktijkervaring

waarvoor overeenkomstig lid 2 een bewijs is afgegeven

2. Het in lid 1 genoemde bewijs wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de

lidstaat van oorsprong. Hierin wordt verklaard dat de begunstigde, na de opleidingstitel van

verloskundige te hebben behaald, in een ziekenhuis of in een daartoe erkende inrichting voor

gezondheidszorg alle werkzaamheden van verloskundige gedurende het overeenkomstige

tijdvak naar tevredenheid heeft verricht.

 

Artikel 42

Uitoefening van de beroepswerkzaamheden van verloskundige

1. Deze afdeling is van toepassing op de werkzaamheden van verloskundige, zoals die door

elke lidstaat zijn omschreven, onverminderd lid 2, en worden uitgeoefend onder de in bijlage

V, punt 5.5.2, opgenomen beroepstitels.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de verloskundigen ten minste toegang hebben tot de

hieronder genoemde werkzaamheden en deze mogen uitoefenen:

a) goede voorlichting en adviezen over gezinsplanning verstrekken;

b) zwangerschap vaststellen en het normale verloop ervan blijven volgen, onderzoeken

verrichten die nodig zijn voor het toezicht op het normale verloop van de zwangerschap;

c) de onderzoeken voorschrijven of adviseren die nodig zijn om de diagnose van een

zwangerschap met gevaar voor complicaties zo vroeg mogelijk te kunnen stellen;

d) een programma opstellen ter voorbereiding op het ouderschap, de bevalling volledig

voorbereiden en de ouders raadgevingen verstrekken over hygiëne en voeding;

e) de vrouw tijdens de bevalling bijstaan en de toestand van de foetus in utero met passende

klinische en technische middelen volgen;

f) normale bevallingen bij achterhoofdsligging verrichten en daarbij zo nodig episiotomie

toepassen, alsmede in noodgevallen bevallingen bij stuitligging verrichten;

g) bij moeder en kind de tekenen van stoornissen onderkennen waarbij het ingrijpen van een

arts vereist is en hem indien nodig assisteren; bij afwezigheid van de arts spoedmaatregelen

nemen, met name de placenta met de hand verwijderen en eventueel daarna de baarmoeder

inwendig onderzoeken.

h) de pasgeborene onderzoeken en verzorgen; alle nodige maatregelen nemen en in

voorkomend geval onmiddellijk reanimatie toepassen;

i) de kraamvrouw verzorgen, toezien op de gevolgen van de bevalling voor de moeder en

alle nuttige adviezen verstrekken aan de moeder met betrekking tot de kinderverzorging,

zodat de pasgeborene in de beste omstandigheden kan worden grootgebracht;

j) de door een arts voorgeschreven behandeling toepassen;

k) de nodige schriftelijke verslagen opstellen.

 

Artikel 43

Specifieke verworven rechten van verloskundigen

1. Elke lidstaat erkent, ten aanzien van onderdanen van de lidstaten van wie de

opleidingstitels van verloskundige aan alle in artikel 40 vastgestelde minimumopleidingseisen

voldoen, maar uit hoofde van artikel 41 alleen mogen worden erkend indien ze vergezeld

gaan van het in artikel 41, lid 2, bedoelde bewijs van praktijkervaring, als genoegzaam bewijs

de door deze lidstaten vóór de in bijlage V, punt 5.5.2, bedoelde referentiedatum afgegeven

opleidingstitels, op voorwaarde dat zij vergezeld gaan van een verklaring waarin wordt

bevestigd dat de houders ervan de betrokken werkzaamheden tijdens de vijf jaar die aan de

afgifte van de verklaring voorafgaan gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren

daadwerkelijk en op wettige wijze hebben uitgeoefend.

1 bis. Met betrekking tot de opleidingstitel van verloskundige erkennen de lidstaten

automatisch de kwalificaties wanneer de aanvrager de opleiding heeft aangevat vóór …(16) ,

en de toelatingsvoorwaarde voor die opleiding tien jaar algemeen onderwijs of een

gelijkwaardig niveau was voor mogelijkheid I, of een voltooide opleiding als verantwoordelijk

algemeen ziekenverpleger zoals bewezen door een opleidingstitel als bedoeld in bijlage V,

punt 5.2.2 , alvorens de opleiding tot verloskundige onder mogelijkheid II aan te vatten.

2. Lid 1 is van toepassing op onderdanen van de lidstaten van wie de opleidingstitels van

verloskundige de afsluiting zijn van een opleiding die op het grondgebied van de voormalige

Duitse Democratische Republiek werd gevolgd en die aan alle minimumopleidingseisen van

artikel 40 voldoet, maar uit hoofde van artikel 41 alleen mogen worden erkend indien zij

vergezeld gaan van het in artikel 41, lid 2, bedoelde bewijs van praktijkervaring, wanneer zij

de afsluiting zijn van een opleiding waarmee vóór 3 oktober 1990 werd aangevangen.

3. De lidstaten erkennen opleidingstitels in de verloskunde die:

a) in Polen zijn afgegeven aan verloskundigen die vóór 1 mei 2004 hun opleiding

hebben voltooid, en die niet overeenstemmen met de in artikel 40 neergelegde

minimumopleidingseisen, en

b) worden gestaafd met het diploma „bachelor” dat werd verkregen op basis van een

speciaal voortgezet programma zoals bedoeld in:

i) artikel 11 van de wet van 20 april 2004 inzake de wijziging van de wet op deberoepen van verpleegkundige en verloskundige en inzake enige andere rechtsbesluiten (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2004, nr. 92, pos. 885 en van 2007, nr. 176, pos. 1237); en de verordening van de minister van Volksgezondheid van 11 mei 2004 inzake de gedetailleerde voorwaarden voor het verstrekken van opleidingen voor verpleegkundigen en verloskundigen die in het bezit zijn van een diploma middelbaar onderwijs (eindexamen – matura) en zijn afgestudeerd aan een medische school of een instelling voor medisch beroepsonderwijs waar het beroep van verpleegkundige en van verloskundige wordt aangeleerd (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2004, nr. 110, pos. 1170, en van 2010, nr. 65, pos. 420); of

ii) artikel53.3 van het besluit van 15 juli 2011 over de beroepen van verpleegkundige en verloskundige (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2011 nr. 174, pos. 1039); en de verordening van de minister van Volksgezondheid van 14 juni 2012 over de gedetailleerde voorwaarden voor het verstrekken van opleidingen voor verpleegkundigen en verloskundigen die in het bezit zijn van een diploma middelbaar onderwijs (eindexamen – matura) en zijn afgestudeerd aan een medische middelbare school of een vervolgopleiding waar het beroep van verpleegkundige en van verloskundige wordt aangeleerd (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2012, pos. 770), teneinde na te gaan of de kennis en de competentie van de betrokken beroepsbeoefenaar op een niveau liggen dat vergelijkbaar is met dat van verloskundigen met titels die voor Polen zijn opgesomd in bijlage V, punt 5.2.2.

 

Studieprogramma voor verloskundigen (opleidingsmogelijkheden I en II)

Het studieprogramma dat tot de opleidingstitels van verloskundige leidt, omvat de volgende

twee onderdelen.

 

A) Theoretisch en technisch onderwijs

Basisvakken

  • Grondbeginselen van de anatomie en de fysiologie
  • Grondbeginselen van de pathologie
  • Grondbeginselen van de bacteriologie, virologie en parasitologie
  • Grondbeginselen van de biofysica, biochemie en radiologie
  • Kindergeneeskunde, in het bijzonder met betrekking tot pasgeborenen
  • Hygiëne, gezondheidsleer, voorkomen van ziekten, vroegtijdig opsporen van ziekten
  • Voedingsleer en dieetleer, in het bijzonder met betrekking tot de vrouw, het pasgeboren
  • kind en de zuigeling
  • Grondbeginselen van de sociologie en medisch-sociale vraagstukken
  • Grondbeginselen van de farmacologie
  • Psychologie
  • Pedagogie
  • Wetgeving op het gebied van de gezondheidszorg, sociale wetgeving en organisatie van de gezondheidszorg
  • Beroepsethiek en beroepswetgeving
  • Seksuele voorlichting en geboorteregeling
  • Juridische bescherming van moeder en kind
  • Specifieke vakken voor de werkzaamheden van verloskundige
  • Anatomie en fysiologie
  • Embryologie en ontwikkeling van de foetus
  •  Zwangerschap, bevalling en kraambed
  • Gynaecologische en verloskundige pathologie
  • Voorbereiding op de bevalling en op het ouderschap, inclusief de psychologische aspecten
  • Voorbereiding van de bevalling (inclusief kennis en gebruik van de technische apparaten in de verloskunde)
  • Analgesie, anesthesie en reanimatie
  • Fysiologie en pathologie van het pasgeboren kind
  • Verzorging van en toezicht op het pasgeboren kind
  • Psychologische en sociale factoren

 

B) Praktische en klinische opleiding

Deze opleiding wordt gegeven onder passend toezicht.

  • Onderzoek van en voorlichting aan zwangere vrouwen (ten minste 100 prenatale onderzoekingen).
  • Toezicht op en begeleiding van ten minste 40 vrouwen in partus.
  • Eigenhandig verrichten door de leerling van ten minste 40 bevallingen; wanneer dit aantal niet kan worden bereikt omdat er geen zwangere vrouwen beschikbaar zijn, kan het op minimaal 30 worden teruggebracht, mits de leerling daarnaast actief deelneemt aan 20 bevallingen.
  • Actieve deelname aan bevallingen in stuitligging. Alleen wanneer tijdens de opleiding onvoldoende bevallingen in stuitligging plaatsvinden, kan het klinisch onderwijs vervangen worden door een gesimuleerde situatie.
  • Verrichten van episiotomieën en het leren hechten. De inleiding moet zowel het theoretische onderricht als klinische oefeningen omvatten. Dit betreft voor dit punt praktijk van het hechten van episiotomieën en eenvoudige rupturen van het perineum. Alleen wanneer het volledig onmogelijk is dit in de klinische situatie te leren, kan gebruik worden gemaakt van een gesimuleerde situatie.
  • Toezicht op en verzorging van 40 zwangere vrouwen bij wie gevaar voor complicaties bestaat tijdens de zwangerschap, tijdens de baring of na de bevalling.
  • Toezicht op en verzorging, inclusief onderzoek, van ten minste 100 kraamvrouwen en gezonde pasgeboren baby's.
  • Observatie en verzorging van pasgeborenen die speciale zorg nodig hebben, onder andere van pasgeborenen die te vroeg of te laat geboren zijn, minder dan normaal wegen of ziek zijn.
  • Verpleging van vrouwen met gynaecologische en obstetrische pathologie.
  • Inleiding tot de verpleging in de genees- en de heelkunde. Deze inleiding moet zowel theoretisch onderricht als klinische oefeningen omvatten.

 

Het theoretische en technische onderwijs (deel A van het opleidingsprogramma) moet in evenwicht gebracht en gecoördineerd worden met de klinische opleiding voor verloskundigen (deel B van het programma) zodat de in deze bijlage aangegeven kennis en ervaring op voldoende wijze kunnen worden verworven.

Voor de klinische opleiding voor verloskundigen (deel B van het opleidingsprogramma) moeten stages worden gevolgd in ziekenhuisafdelingen of bij andere inrichtingen voor gezondheidszorg die door de bevoegde autoriteiten of instellingen zijn erkend. Tijdens deze opleiding nemen de leerling-verloskundigen deel aan de werkzaamheden van de betrokken diensten, voorzover deze werkzaamheden bijdragen tot hun opleiding. Zij worden vertrouwd gemaakt met de taken die aan de werkzaamheden van verloskundigen verbonden zijn.