Mag een vroedvrouw een zwangerschapsafbreking induceren?

Per november 2015 (M. Eggermont)

A. Probleemstelling

Wat wordt verstaan onder 'een zwangerschapsafbreking'? Is dit het afbreken van een vitale zwangerschap en/of een niet-vitale zwangerschap?

B. Algemeen wettelijk kader

1. Het Strafwetboek bepaalt:

  Art.  350. Hij die door spijzen, dranken, artsenijen of door enig ander middel vruchtafdrijving veroorzaakt bij een vrouw die daarin heeft toegestemd, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en tot geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro.

  Er is evenwel geen misdrijf wanneer de zwangere vrouw die door haar toestand in een noodsituatie verkeert, een geneesheer verzoekt haar zwangerschap af te breken en indien de zwangerschapsafbreking uitgevoerd wordt onder de volgende voorwaarden :

  1° a) de zwangerschapsafbreking moet plaatsvinden vóór het einde van de twaalfde week na de bevruchting;

  b) de zwangerschapsafbreking moet onder medisch verantwoorde omstandigheden door een geneesheer worden verricht in een instelling voor gezondheidszorg waaraan een voorlichtingsdienst is verbonden die de zwangere vrouw opvangt en haar omstandig inlicht inzonderheid over de rechten, de bijstand en de voordelen, bij wet en decreet gewaarborgd aan de gezinnen, aan de al dan niet gehuwde moeders en hun kinderen, alsook over de mogelijkheden om het kind dat geboren zal worden te laten adopteren; en die, op verzoek van de geneesheer of van de vrouw, haar hulp en raad geeft over de middelen waarop zij een beroep zal kunnen doen voor de oplossing van de psychologische en maatschappelijke problemen welke door haar toestand zijn ontstaan.

  2° De geneesheer tot wie een vrouw zich wendt om haar zwangerschap te laten afbreken, moet :

  a) de vrouw inlichten over de onmiddellijke of toekomstige medische risico's waaraan zij zich blootstelt door het afbreken van de zwangerschap;

  b) de verschillende opvangmogelijkheden voor het kind dat geboren zal worden in herinnering brengen en, in voorkomend geval, een beroep doen op het personeel van de dienst bedoeld in het 1°, b), van dit artikel om de daar bepaalde hulp en raad te geven;

  c) zich vergewissen van de vaste wil van de vrouw om haar zwangerschap te laten afbreken.

  De appreciatie van de geneesheer over de vaste wil en de noodsituatie van de zwangere vrouw, op basis waarvan hij aanvaardt de ingreep uit te voeren, kan niet meer worden aangevochten indien is voldaan aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden.

  3° De geneesheer kan de zwangerschapsafbreking niet eerder verrichten dan zes dagen na de eerste raadpleging en nadat de vrouw, de dag van de ingreep, schriftelijk te kennen heeft gegeven dat ze vastbesloten is de ingreep te ondergaan.

  Deze verklaring moet bij het medisch dossier worden gevoegd.

  4° Na de termijn van twaalf weken kan de zwangerschap onder de voorwaarden bepaald onder het 1°, b), het 2° en het 3° slechts worden afgebroken, indien het voltooien van de zwangerschap een ernstig gevaar inhoudt voor de gezondheid van de vrouw of indien vaststaat dat het kind dat geboren zal worden, zal lijden aan een uiterst zware kwaal die als ongeneeslijk wordt erkend op het ogenblik van de diagnose. In dat geval moet de geneesheer tot wie de vrouw zich heeft gewend, de medewerking vragen van een tweede geneesheer, wiens advies bij het dossier moet worden gevoegd.

  5° De geneesheer of een andere bevoegde persoon van de instelling voor gezondheidszorg waar de ingreep is verricht, moet aan de vrouw de nodige voorlichting verstrekken inzake contraceptiva.

  6° Geen geneesheer, geen verpleger of verpleegster, geen lid van het paramedisch personeel kan gedwongen worden medewerking te verlenen aan een zwangerschapsafbreking.

  De geneesheer die weigert een dergelijke ingreep te verrichten, is gehouden de vrouw bij haar eerste bezoek in kennis te stellen van zijn weigering.

2. Artikel 63, §1, 2° van de wet op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen bepaalt:

§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde zoals bepaald in artikel 2 wordt onder de uitoefening van het beroep van vroedvrouw verstaan :

  2° het meewerken, samen met de arts, en onder diens verantwoordelijkheid, aan de opvang en de behandeling van vruchtbaarheidsproblemen, van zwangerschappen en bevallingen met verhoogd risico en van pasgeborenen die in levensbedreigende of bijzondere ziektecondities verkeren, alsook aan de zorg die in die gevallen moet worden verleend.

3. Het KB van 1991 inzake de uitoefening van het beroep van vroedvrouw bepaalt:

Art.  6. § 1. Het is de houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw inzonderheid verboden de volgende handelingen te verrichten :

…  7. Het induceren van een zwangerschapsafbreking.

C. Advies

Er bestaat geen wettelijke definitie van de term vruchtafdrijving, zwangerschapsafbreking of abortus. Algemeen wordt dit omschreven als: “de opzettelijke vernietiging van een embryo of foetus in het lichaam van een zwangere vrouw, ongeacht de daarvoor gebruikte middelen”.

Abortus blijft in beginsel een misdrijf, maar kan onder bepaalde omstandigheden als geoorloofd worden beschouwd. Het recht op zelfbepaling overheerst bij de vrouw met een zwangerschap van minder dan 12 weken. De start van de termijn is het moment van de bevruchting, niet de laatste menstruatie, zoals voor de medische berekening wel het geval is. De vrouw is “baas in eigen buik” en beslist volledig autonoom tot een abortus.

Pas na 12 weken zwangerschap moeten specifieke voorwaarden vervuld zijn om een geoorloofde abortus te laten plaatsvinden. Het voltooien van de zwangerschap moet een ernstig gevaar inhouden voor de gezondheid van de vrouw of er moet sprake zijn van een foetus die na de geboorte, aan een uiterst zware kwaal (ongeneeslijk) zal lijden.

Het misdrijf abortus vereist naast het moreel bestanddeel van “opzet” ook een materieel bestanddeel. Dit is de doding/vernietiging van een embryo of foetus, naargelang het ontwikkelingsstadium. Tot de zwangerschapsleeftijd (vanaf bevruchting) van 8 weken wordt over een embryo gesproken, daarna van een foetus. Abortus veronderstelt de doding van een levende ongeboren vrucht. Een dode embryo of een mors in utero kan niet gedood of vernietigd worden. Er wordt aldus geen strafbaar feit gepleegd als een zwangerschapsafbreking wordt geïnduceerd op een mors in utero.

Pas op, komt de foetus, ondanks het gebruik van vruchtafdrijvende middelen, levend ter wereld, dan kan er wel sprake zijn van een strafbare poging tot abortus, indien de vrouw niet had toegestemd. Overlijdt de baby na de geboorte ten gevolge van de vruchtafdrijving, dan kan er sprake zijn van opzettelijke doding, hetgeen natuurlijk ook strafbaar is. Dus enkel de kwalificatie van het misdrijf verschilt.

Indien er sprake is van een levende vrucht, dan moet de inductie van de zwangerschapsafbreking door een arts gebeuren. Deze medische handeling valt onder het monopolie van de arts. Mocht er nog enige onduidelijkheid zijn inzake de delegeerbaarheid van deze handeling van de arts aan de vroedvrouw, dan is deze door de wijziging van het KB van 1991 (in 2007) weggenomen. Het is de vroedvrouw (zonder enige uitzonderingen) verboden een zwangerschapsafbreking te induceren. Het is de vroedvrouw dus verboden het proces (bijvoorbeeld door het toedienen van Cytotec) van een zwangerschapsafbreking in gang te zetten.

Is er sprake van een mors in utero, dan kan de vroedvrouw onder de verantwoordelijkheid van de arts, de nodige medische handelingen stellen om de arbeid te induceren.