Wat zijn de rechten van een (on)geboren kind?

Per april 2017 (Marlies Eggermont, advocaat):

A. Rechten van een (on) geboren kind

1. Rechtspersoonlijkheid
Een persoon krijgt pas rechtspersoonlijkheid indien hij levend en levensvatbaar geboren wordt. Dat is de traditionele regel in het burgerlijk recht, met name dat de persoonlijkheid slechts begint bij de geboorte, op voorwaarde dat de foetus levend en levensvatbaar geboren wordt. Dit laatste is een medische beoordeling. Een ongeboren kind heeft echter wel rechten, wanneer dit in het belang is van de aanstaande persoon. Het ongeboren kind moet wel verwekt zijn. Volgens de wet wordt een kind, behoudens tegenbewijs, vermoed te zijn verwekt in het tijdvak van de 300ste tot en met de 180ste dag vóór de geboortedag.1 Pas vanaf die tijdspanne is er sprake van verwekking en kunnen er desgevallend
rechten worden toegekend aan het ongeboren kind. Een typisch voorbeeld hiervan vindt men in het erfrecht. Een ongeboren kind kan begunstigde zijn van een erfenis/schenking/testament van zijn vader (overleden vóór de geboorte), maar wel op voorwaarde dat het levend en levensvatbaar geboren wordt.

Voor zorgverleners werkzaam in de verloskunde is dit principe ook van belang in het kader van de wrongful life en wrongful birth vorderingen. Een wrongful life-vordering is een vordering die ingesteld wordt door de ouders, maar in naam van het (gehandicapte) kind zelf. Het kind vordert vergoeding van de zorgverlener die zijn bestaan niet heeft voorkomen, omdat het liever niet in een dergelijk leven was terecht gekomen. Het kind verwijt de zorgverlener een aandoening niet (tijdig) te hebben onderkend en gesignaleerd aan de ouders met het oog op een therapeutische zwangerschapsafbreking. Een wrongful birth-vordering gaat uit van de ouders en houdt een vordering tot vergoeding in van de opgelopen vermogensschade, voortvloeiend uit de geboorte van het kind. Het typische voorbeeld van een dergelijke zaak is een op echo gemist neuraal buisdefect. Het kind wenste niet met een dergelijke handicap te leven en de ouders kregen niet de kans om tot een abortus te beslissen.

2. Strafrechtelijke bescherming
Los van het bovenvermelde heeft een foetus ook recht op strafrechtelijke bescherming. Het Hof van Cassatie nam in 1987 een innovatief standpunt in. Het Hof oordeelde dat de criteria van het burgerlijk recht om het recht op rechtspersoonlijkheid te erkennen vreemd waren aan de strafrechtelijke materie en de strafwet bescherming verleende aan een foetus die betrokken was in het geboorteproces, maar nog geen leven buiten de baarmoeder heeft gekend.3 ‘In het geboorteproces’ betekent tijdens de bevalling, die zich inzet met de arbeid. Aanleiding van dit cassatiearrest was de veroordeling van een vroedvrouw en een gynaecoloog in 1986 door het Luikse hof van beroep voor de onopzettelijke doding van een tweeling. Eén baby stierf in utero en de andere baby stierf de dag na de geboorte. De gynaecoloog liep ook een veroordeling op wegens schuldig verzuim ten aanzien van de moeder.4 In navolging van deze cassatierechtspraak hebben onzorgvuldigheden begaan vóór de start van de arbeid dan ook telkens tot de vrijspraak van de betrokken zorgverleners geleid. Concreet betekent dit dat de foetus vanaf de start van de arbeid recht heeft op strafrechtelijke bescherming, dus zorgverleners moeten naast de gezondheid van de moeder ook de gezondheid van de foetus bewaken, op straffe van een veroordeling (vaak wegens schuldig verzuim).

3. Uitoefening patiëntenrechten
Eens de baby levend en levensvatbaar geboren is, start de burgerlijke rechtspersoonlijkheid die voor de zorgverlener relevant is. Vanaf dat moment is er sprake van een patiënt die zijn/haar patiëntenrechten kan doen gelden, onder meer het recht op kwalitatieve zorgverlening.
Overeenkomstig de patiëntenrechtenwet van 2002 oefenen de ouders als vertegenwoordiger de patiëntenrechten van hun baby uit. Zijn de zorgverleners (multidisciplinair team) het niet eens met de mening van de vertegenwoordigers (bijv. niet reanimeren), dan kunnen ze deze mening overrulen, indien ze van oordeel zijn dat dit niet in het belang is van de baby. Een goede motivatie in het patiëntendossier is een must. Dus concreet als een baby prematuur geboren wordt, maar medisch gezien een goede overlevingskans heeft, kunnen de zorgverleners beslissen om de baby intensieve zorgen toe te dienen, in strijd met de visie van de ouders, die geen interventie willen
_______________________

1 Art. 326 BW.
2 Art. 725 en 906 BW.
3 Cass. 11 februari 1987, Vl.T.Gez. 1987, 41, noot J.J. ANDRÉ, JLMB 1987, 630, noot M. PREUMONT en JT 1987,
738, noot F. KEFER.
4 Luik 25 juni 1986, JL 1986, 674.
 

Update: 6/6/2017