FAQ wetgeving en code

Beroeps- en competentieprofiel

Mogen vroedvrouwen vaccineren?

 

Per juni 2016 Marlies Eggermont

Overeenkomstig artikel 45, §2 van de gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen van 10 mei 2015 mogen de vroedvrouwen de verpleegkunde beoefenen:

Art. 45. § 1. …

§ 2. De drager van de beroepstitel van vroedvrouw die haar of zijn diploma heeft behaald voor 1 oktober 2018, mag van rechtswege de verpleegkunde uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de dragers van de beroepstitel van gegradueerde verpleegkundige.

De drager van de beroepstitel van vroedvrouw die haar of zijn diploma heeft behaald na 1 oktober 2018, mag van rechtswege de technische verpleegkundige verstrekkingen en de toevertrouwde medische handelingen die tot de verpleegkunde behoren, uitvoeren binnen het terrein van de verloskunde, de fertiliteitsbehandeling, de gynaecologie en de neonatologie.

De voorbereiding en toediening van vaccins was vroeger een C-handeling, dus een medisch toevertrouwde handeling, die bovendien in aanwezigheid van de arts moest gebeuren. Het KB van 29 februari 2016 tot wijziging van het KB van 1990 inzake de lijst met verpleegkundige handelingen heeft, met ingang van 9 april 2016, deze situatie gewijzigd (1). Voortaan is het voorbereiden en toedienen van vaccins een B2-handeling, onder 1.7 Medicamenteuze toedieningen, dus een technische handeling op voorschrift van de arts.

KB 29 februari 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen, BS 30 maart 2016.

(1)  KB 29 februari 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen, BS 30 maart 2016.

 

Mogen verpleegkundigen (nog) op materniteit werken?

 

Per januari 2016 (Mr. Marlies Eggermont)

A. Probleemstelling

Welk diploma moet men hebben om op materniteit te werken?
Mogen verpleegkundigen (nog) op materniteit werken?

B. Algemeen wettelijk kader

Artikels 31-33 en 40-43 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad nr. 2005/36/EG van 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (Europese richtlijn over gereglementeerde beroepen)

Artikels 45-64 Gecoördineerde wet 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, BS 18 juni 2015 (WUG)

KB 1 februari 1991 betreffende de uitoefening van het beroep van vroedvrouw, BS 6 april 1991

KB 18 juni 1990 houdende vaststelling van de technische verpleegkundige prestaties en de lijst van de handelingen die door een geneesheer aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die prestaties en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen, BS 26 juli
1990

KB 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, BS 7 november 1964, bijlage artikel N5 (erkenningsnormen materniteit, kenletter M)

C. Advies

Er zijn drie zaken belangrijk: 1) de wettelijke bevoegdheid van de vroedvrouw en de verpleegkundige en 2) de kwalificatie van de patiënt (baby of moeder) en 3) de verplichting tot het bieden van kwalitatieve zorgverlening.
 
1. Volledige bevoegdheid vroedvrouw op materniteit

De vroedvrouw beoefent de verloskunde (= tak van de geneeskunde) en is ertoe gemachtigd de praktijk van de normale bevallingen te doen, overeenkomstig artikel 62 WUG en het KB van 1991 betreffende de uitoefening van het beroep van vroedvrouw:

Artikel 62 WUG:
§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde zoals bepaald in
artikel 2 wordt onder de uitoefening van het beroep van vroedvrouw verstaan :
  1° het autonoom uitvoeren van de volgende activiteiten :
  a) diagnose van de zwangerschap;
  b) 
toezicht op, zorg en advies aan de vrouw tijdens de zwangerschap, de bevalling en
de periode na de bevalling;

 

Artikel 2 KB 1991:
De houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw dient over het nodige materieel te beschikken om:
- ter voorbereiding van de bevalling, aan de ouders raadgevingen te verstrekken over hygiëne en voeding;
- de diagnose van de zwangerschap te stellen;
- de zwangerschap te volgen;
- de bevalling uit te voeren en de eerste zorgen aan de pasgeborene toe te dienen;
tijdens het post-partum de verzorging te verzekeren en het toezicht uit te oefenen.

De verzorging van de pasbevallen vrouw op de materniteit is dus een voorbehouden bevoegdheid voor de vroedvrouw.

2. Zeer beperkte bevoegdheid van verpleegkundige op materniteit

Verpleegkundigen zijn wettelijk bevoegd om onder bepaalde voorwaarden verpleegkundige handelingen te stellen ten aanzien van zwangeren en bevallen vrouwen.

Door het arrest van de Raad van State van 21 september 1993 werd de bevoegdheid van de verpleegkundige in het verloskundig domein zeer sterk gereduceerd:

 “In bijlage I bij het koninklijk besluit van 18 juni 1990 worden de volgende woorden geschrapt:
 - in punt 1.4. Urogenitaal stelsel "en verloskunde";
 - in punt 1.8. Bijzondere technieken "afkolving van de moedermelk";
 - in punt 7. Assistentie bij medische handelingen "voorbereiding en assistentie bij bevallingen".(1)

Met artikel 7 van het KB van 13 juli 2006, heeft de wetgever de lijst met verpleegkundige C- handelingen (medisch toevertrouwde handelingen) uitgebreid met:

 - Voorbereiding, assistentie, instrumenteren en post-operatieve zorg bij keizersnede
 - Het uitvoeren van de A, B en C-handelingen tijdens de zwangerschap, de bevalling en het postpartum, in zover deze betrekking hebben op pathologie of afwijkingen al dan niet veroorzaakt door de zwangerschap en in het kader van de multidisciplinaire samenwerking binnen de voor de betrokken pathologie gespecialiseerde diensten.(²)

Hierdoor mag de verpleegkundige op gespecialiseerde diensten zoals bijvoorbeeld oncologie, intensieve zorgen, operatiekwartier, spoed, enz… een zwangere of bevallen vrouw verzorgen binnen het kader van de wettelijk toegelaten verpleegkundige handelingen.

Het verzorgen van een bevallen vrouw op een materniteit is voor een verpleegkundige niet toegelaten, vermits er geen sprake is van een opname (wegens een bepaalde pathologie) op een gespecialiseerde dienst. Het assisteren bij borstvoeding of afkolven is ook een voorbehouden handeling voor de vroedvrouw. De patiënt is hier immers de vrouw en niet de baby.

De toegelaten verpleegkundige handelingen op een materniteit beperken zich tot de verzorging van de baby, terug vrij beperkt. De expertise van de verpleegkundige wordt vooral ingezet bij de zieke neonaat, op diensten zoals N* en NICU, conform de personeelsnormen en het KB van 1990:                                                      

1. Behandelingen
1.8. Bijzondere technieken
B1 - Verpleegkundige zorgen aan en toezicht op prematuren met gebruik van incubator.

2. Voedsel- en vochttoediening
B1 Enterale vocht- en voedseltoediening, dus via het maag-en darmkanaal (via mond, sonde, rectaal).
B2 Parenterale voeding, dus via injectie.

3. Kwalitatieve zorgverlening

Volgens de wet op de patiëntenrechten van 2002 heeft elke patiënt recht op kwaliteitsvolle dienstverlening. Dit impliceert verzorgd worden door gekwalificeerd personeel, dit is onder meer wettelijke bevoegd zijn en de juiste opleiding hebben genoten. De WUG legt de bevoegdheid voor de begeleiding bij zwangerschap, bevalling en postpartum bij de vroedvrouw, in overeenstemming met de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad nr. 2005/36/EG van 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.(3) Eén van de minimale bevoegdheden van de vroedvrouw is onder meer:  

 “i) de kraamvrouw verzorgen, toezien op de gevolgen van de bevalling voor de moeder en alle nuttige adviezen verstrekken aan de moeder met betrekking tot de kinderverzorging, zodat de pasgeborene in de beste omstandigheden kan worden grootgebracht”.

Volgens het KB van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, moet een materniteit de volgende organisatienormen in acht nemen:

- “tenminste 1 hoofdvroedvrouw (desnoods hoofdverpleegkundige)
voldoende vroedvrouwen om de vereiste permanentie aan vroedvrouwen 24 uur op 24 te verzekeren
- het nodige aantal gekwalificeerde verpleegkundigen en verzorgend personeel in functie van de verpleegkundige en verzorgingsbehoeften”.

 
In België is geopteerd om een duidelijk onderscheid te maken tussen de diensten waar verpleegkundigen werkzaam zijn (rekening houdend met het belang van beroepstitels op gespecialiseerde diensten) en de diensten waar vroedvrouwen tewerkgesteld worden.
 
In de toekomst zullen de vroedvrouwen die hun diploma hebben behaald na 1 oktober 2018, alleen verpleegkundige handelingen mogen stellen binnen het terrein van de verloskunde (materniteit en verloskamer), de fertiliteitsbehandeling, de gynaecologie en de neonatologie (NICU en N*-dienst) (4). Deze wettelijke afbakening bestond reeds vanaf 2001, maar bleef dode letter gelet op de vertraging van de inwerkintreding via een koninklijk besluit.(5)

Enerzijds roept dit een halt toe aan de algemene inzetbaarheid van vroedvrouwen in de ziekenhuizen (bijvoorbeeld op de pediatrie) en de thuisverpleging. Anderzijds is het een verdere stap in de profilering van het beroep, dat een specialisatie inhoudt binnen de geneeskunde en niet de verpleegkunde.

Daarbij komt nog de verkorte ligduur in de ziekenhuizen na een bevalling, cfr. artikel 46bis van het KB van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen. Kwaliteit bieden in een korte tijdspanne en zorgen voor continuïteit van de zorgverlening (door het inzetten van vroedvrouwen in de extramurale zorg) wint dus nog aan belang.
 
Besluit

De expertise van een verpleegkundige kan onvoldoende benut worden op een materniteit, vermits juridisch gezien (zowel naar wettelijke bevoegdheid als naar erkenningsnormen in de ziekenhuizen toe), de vroedvrouwen op deze dienst ingezet worden.

 

(1). Raad van State 21 september 1993, arrrestnr. 44144
(2). BS 7 augustus 20016
(3). Art. 42 richtlijn Europees Parlement en Raad nr. 2005/36/EG van 7 september 2005 betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties, Pb. L. 30 september 2005, afl. 255, 45.
(4). Artikel 45, §1 WUG.
(5). Artikel 34 wet 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg zou artikel 21quater, § 4 WUG in die mate wijzigen dat de vroedvrouw (zonder het diploma van verpleegkundige) die haar diploma behaalt voor 1 oktober van het vierde jaar na inwerkingtreding van artikel 34 alleen nog maar verpleegkundige handelingen zal mogen stellen binnen het terrein van de verloskunde, de fertiliteitsbehandeling en de neonatologie.

 

 

Is het wettelijk toegestaan dat de vroedvrouw prostaglandines intra-cervicaal toedient?

 

Per januari 2016 (Mr. Marlies Eggermont)

A. Probleemstelling
Is het wettelijk toegestaan dat de vroedvrouw prostaglandines intra-cervicaal toedient?

B. Algemeen wettelijk kader

Artikels 62-64 Gecoördineerde wet 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, BS 18 juni 2015 (WUG)

Koninklijk besluit 1 februari 1991 betreffende de uitoefening van het beroep van vroedvrouw, BS 6 april 1991 (KB 1991)

C. Advies

Het kunstmatig op gang brengen van de baring (inductie) of stimulatie valt buiten de autonomie van de vroedvrouw. Dus het toedienen van prostaglandines gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de arts, overeenkomstig artikel 62 §1,2° WUG:

"Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde zoals bepaald in artikel 3 wordt onder de uitoefening van het beroep van vroedvrouw verstaan: het meewerken, samen met de arts, en onder diens verantwoordelijkheid, aan de opvang en de behandeling van vruchtbaarheidsproblemen, van zwangerschappen en bevallingen met verhoogd risico en van pasgeborenen die in levensbedreigende of bijzondere ziektecondities verkeren, alsook aan de zorg die in die gevallen moet worden verleend."

Het handelen onder de verantwoordelijkheid van de arts is echter geen vrijgeleide om de grenzen van het bevoegdheidsterrein te overschrijden. Het is de vroedvrouw immers niet toegelaten om kunstmatig de cervix te dilateren, overeenkomstig artikel 6, § 1,1. KB 1991:

Het is de houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw inzonderheid verboden de volgende handelingen te verrichten:
Kunstmatige dilatatie van de baarmoederhals;

Besluit

Het toedienen van prostaglandines intra-cervicaal is niet toegelaten voor de vroedvrouw. Intravaginaal kan het wel, maar dan onder de verantwoordelijkheid van de arts.

 

Mag een vroedvrouw werken op de pediatrie?

Per juni 2016 (M. Eggermont):

Het KB van 13 juli 2006 houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor kinderen moet voldoen om erkend te worden en tot wijziging van het KB van 25 november 1997 houdende vaststelling van de normen waaraan de functie "chirurgische daghospitalisatie" moet voldoen om te worden erkend, bestaat niet meer. Volgens het nieuwe KB van 2 april 2014 houdende de vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor kinderen moet voldoen om erkend te worden, dient het “basiszorgprogramma voor kinderen” op een pediatrische dienst de volgende niet-medische personeelsomkadering te hebben:

Art. 22. Het basiszorgprogramma beschikt over voldoende verpleegkundigen die naar aantal en kwalificatie worden aangepast aan de aard en het volume van de patiëntenproblemen.

  Art. 23. Tijdens de normale werkuren moet een basiszorgprogramma beschikken over minstens een verpleegkundige houder van de bijzondere beroepstitel in de pediatrie of in de neonatologie of over een verpleegkundige met minimaal 5 jaar ervaring als verpleegkundige van een zorgprogramma voor kinderen op de datum van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

De personeelsomkadering  in een “gespecialiseerd zorgprogramma” legt nog meer de focus op de expertise van de verpleegkundige:

Art. 41. Minstens 75 % van het verpleegkundig personeel werkzaam in het gespecialiseerd zorgprogramma moet bestaan uit gegradueerde verpleegkundigen of bachelors in de verpleegkunde met een bijzondere beroepstitel in de pediatrie of in de neonatologie of uit verpleegkundigen die op de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, minstens 5 jaar effectief werkzaam zijn in een erkend zorgprogramma voor kinderen.

  Art. 42. Het gespecialiseerd zorgprogramma verzekert per verpleegafdeling 24 uur op 24 de permanente aanwezigheid van minstens een verpleegkundige houder van de bijzondere beroepstitel van verpleegkundige gespecialiseerd in de pediatrie of neonatologie of een verpleegkundige die kan aantonen dat hij/zij beschikt over 5 jaar ervaring in een zorgprogramma voor kinderen op de datum van publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 43. Het gespecialiseerd zorgprogramma moet binnen het ziekenhuis een beroep kunnen doen op de volgende disciplines : 1° een diëtist;2° een kinesitherapeut;3° een logopedist.

Vroedvrouwen afgestudeerd vóór 1 oktober 2018 mogen de verpleegkunde beoefenen, ook op de pediatrie, maar uit het wettelijk kader blijkt duidelijk dat een gering aantal personeelsleden niet-verpleegkundigen kunnen zijn.

Mogen wij als vroedvrouw alle labonderzoeken die wij nodig achten voor moeder en kind zelf doen of zijn er restricties? Zijn er voor sommige onderzoeken handtekening van een arts nodig?

 

Per juli 2011:

Je mag alle onderzoeken doen die gaan rond fysiologie. Daarbij mag je ook onderzoeken doen om dingen uit te sluiten, bvb. schildklierproblemen of vermoeden van HELLP-syndroom. 

De vroedvrouw mag dus labonderzoeken en echografieën voorschrijven zolang deze passen binnen haar wettelijke bevoegdheid: de normale verloskunde.

Deze info kan je ook vinden in de map voor de zelfstandige vroedvrouw die je kan krijgen bij de VLOV vzw en die eigenlijk onmisbaar is voor elke zelfstandige vroedvrouw

 

Mag een vroedvrouw syntocinon toedienen zonder voorschrift van een arts?

 

Per maart 2016 (M. Eggermont):

Het toedienen van syntocinon tijdens de arbeid is een verpleegkundige B2-handeling, dus gebeurt op instructie en voorschrift van de arts. In het kader van pathologie (bij 'onvoorziene verwikkelingen, cfr. artikel 1, §2 van het KB van 1991 ivm uitoefening van het beroep van vroedvrouw) kan de toediening zonder instructie van de arts om (verdere) schade te vermijden, maar achteraf moet er steeds een voorschrift door de arts worden opgemaakt.

Het toedienen van syntocinon in een thuissituatie zonder voorschrift van een arts is niet conform de wettelijke bepalingen inzake de beroepsuitoefening van de vroedvrouw. Dit kan eerder onder de noemer van onwettige uitoefening van de geneeskunde vallen en is ten stelligste af te raden. Bij een niet vorderende arbeid is het de zorgvuldigheid van de vroedvrouw om uit te maken of er sprake is van een pathologie of niet en of een doorverwijzing naar een arts/ziekenhuis noodzakelijk is.

 

Mag een vroedvrouw een zwangerschapsafbreking induceren?

 

Per november 2015 (M. Eggermont)

A. Probleemstelling

Wat wordt verstaan onder 'een zwangerschapsafbreking'? Is dit het afbreken van een vitale zwangerschap en/of een niet-vitale zwangerschap?

B. Algemeen wettelijk kader

1. Het Strafwetboek bepaalt:

  Art.  350. Hij die door spijzen, dranken, artsenijen of door enig ander middel vruchtafdrijving veroorzaakt bij een vrouw die daarin heeft toegestemd, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en tot geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro.

  Er is evenwel geen misdrijf wanneer de zwangere vrouw die door haar toestand in een noodsituatie verkeert, een geneesheer verzoekt haar zwangerschap af te breken en indien de zwangerschapsafbreking uitgevoerd wordt onder de volgende voorwaarden :

  1° a) de zwangerschapsafbreking moet plaatsvinden vóór het einde van de twaalfde week na de bevruchting;

  b) de zwangerschapsafbreking moet onder medisch verantwoorde omstandigheden door een geneesheer worden verricht in een instelling voor gezondheidszorg waaraan een voorlichtingsdienst is verbonden die de zwangere vrouw opvangt en haar omstandig inlicht inzonderheid over de rechten, de bijstand en de voordelen, bij wet en decreet gewaarborgd aan de gezinnen, aan de al dan niet gehuwde moeders en hun kinderen, alsook over de mogelijkheden om het kind dat geboren zal worden te laten adopteren; en die, op verzoek van de geneesheer of van de vrouw, haar hulp en raad geeft over de middelen waarop zij een beroep zal kunnen doen voor de oplossing van de psychologische en maatschappelijke problemen welke door haar toestand zijn ontstaan.

  2° De geneesheer tot wie een vrouw zich wendt om haar zwangerschap te laten afbreken, moet :

  a) de vrouw inlichten over de onmiddellijke of toekomstige medische risico's waaraan zij zich blootstelt door het afbreken van de zwangerschap;

  b) de verschillende opvangmogelijkheden voor het kind dat geboren zal worden in herinnering brengen en, in voorkomend geval, een beroep doen op het personeel van de dienst bedoeld in het 1°, b), van dit artikel om de daar bepaalde hulp en raad te geven;

  c) zich vergewissen van de vaste wil van de vrouw om haar zwangerschap te laten afbreken.

  De appreciatie van de geneesheer over de vaste wil en de noodsituatie van de zwangere vrouw, op basis waarvan hij aanvaardt de ingreep uit te voeren, kan niet meer worden aangevochten indien is voldaan aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden.

  3° De geneesheer kan de zwangerschapsafbreking niet eerder verrichten dan zes dagen na de eerste raadpleging en nadat de vrouw, de dag van de ingreep, schriftelijk te kennen heeft gegeven dat ze vastbesloten is de ingreep te ondergaan.

  Deze verklaring moet bij het medisch dossier worden gevoegd.

  4° Na de termijn van twaalf weken kan de zwangerschap onder de voorwaarden bepaald onder het 1°, b), het 2° en het 3° slechts worden afgebroken, indien het voltooien van de zwangerschap een ernstig gevaar inhoudt voor de gezondheid van de vrouw of indien vaststaat dat het kind dat geboren zal worden, zal lijden aan een uiterst zware kwaal die als ongeneeslijk wordt erkend op het ogenblik van de diagnose. In dat geval moet de geneesheer tot wie de vrouw zich heeft gewend, de medewerking vragen van een tweede geneesheer, wiens advies bij het dossier moet worden gevoegd.

  5° De geneesheer of een andere bevoegde persoon van de instelling voor gezondheidszorg waar de ingreep is verricht, moet aan de vrouw de nodige voorlichting verstrekken inzake contraceptiva.

  6° Geen geneesheer, geen verpleger of verpleegster, geen lid van het paramedisch personeel kan gedwongen worden medewerking te verlenen aan een zwangerschapsafbreking.

  De geneesheer die weigert een dergelijke ingreep te verrichten, is gehouden de vrouw bij haar eerste bezoek in kennis te stellen van zijn weigering.

2. Artikel 63, §1, 2° van de wet op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen bepaalt:

§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde zoals bepaald in artikel 2 wordt onder de uitoefening van het beroep van vroedvrouw verstaan :

  2° het meewerken, samen met de arts, en onder diens verantwoordelijkheid, aan de opvang en de behandeling van vruchtbaarheidsproblemen, van zwangerschappen en bevallingen met verhoogd risico en van pasgeborenen die in levensbedreigende of bijzondere ziektecondities verkeren, alsook aan de zorg die in die gevallen moet worden verleend.

3. Het KB van 1991 inzake de uitoefening van het beroep van vroedvrouw bepaalt:

Art.  6. § 1. Het is de houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw inzonderheid verboden de volgende handelingen te verrichten :

…  7. Het induceren van een zwangerschapsafbreking. 

C. Advies

Er bestaat geen wettelijke definitie van de term vruchtafdrijving, zwangerschapsafbreking of abortus. Algemeen wordt dit omschreven als: “de opzettelijke vernietiging van een embryo of foetus in het lichaam van een zwangere vrouw, ongeacht de daarvoor gebruikte middelen”.

Abortus blijft in beginsel een misdrijf, maar kan onder bepaalde omstandigheden als geoorloofd worden beschouwd. Het recht op zelfbepaling overheerst bij de vrouw met een zwangerschap van minder dan 12 weken. De start van de termijn is het moment van de bevruchting, niet de laatste menstruatie, zoals voor de medische berekening wel het geval is. De vrouw is “baas in eigen buik” en beslist volledig autonoom tot een abortus.

Pas na 12 weken zwangerschap moeten specifieke voorwaarden vervuld zijn om een geoorloofde abortus te laten plaatsvinden. Het voltooien van de zwangerschap moet een ernstig gevaar inhouden voor de gezondheid van de vrouw of er moet sprake zijn van een foetus die na de geboorte, aan een uiterst zware kwaal (ongeneeslijk) zal lijden.

Het misdrijf abortus vereist naast het moreel bestanddeel van “opzet” ook een materieel bestanddeel. Dit is de doding/vernietiging van een embryo of foetus, naargelang het ontwikkelingsstadium. Tot de zwangerschapsleeftijd (vanaf bevruchting) van 8 weken wordt over een embryo gesproken, daarna van een foetus. Abortus veronderstelt de doding van een levende ongeboren vrucht. Een dode embryo of een mors in utero kan niet gedood of vernietigd worden. Er wordt aldus geen strafbaar feit gepleegd als een zwangerschapsafbreking wordt geïnduceerd op een mors in utero.

Pas op, komt de foetus, ondanks het gebruik van vruchtafdrijvende middelen, levend ter wereld, dan kan er wel sprake zijn van een strafbare poging tot abortus, indien de vrouw niet had toegestemd. Overlijdt de baby na de geboorte ten gevolge van de vruchtafdrijving, dan kan er sprake zijn van opzettelijke doding, hetgeen natuurlijk ook strafbaar is. Dus enkel de kwalificatie van het misdrijf verschilt.

Indien er sprake is van een levende vrucht, dan moet de inductie van de zwangerschapsafbreking door een arts gebeuren. Deze medische handeling valt onder het monopolie van de arts. Mocht er nog enige onduidelijkheid zijn inzake de delegeerbaarheid van deze handeling van de arts aan de vroedvrouw, dan is deze door de wijziging van het KB van 1991 (in 2007) weggenomen. Het is de vroedvrouw (zonder enige uitzonderingen) verboden een zwangerschapsafbreking te induceren. Het is de vroedvrouw dus verboden het proces (bijvoorbeeld door het toedienen van Cytotec) van een zwangerschapsafbreking in gang te zetten.

Is er sprake van een mors in utero, dan kan de vroedvrouw onder de verantwoordelijkheid van de arts, de nodige medische handelingen stellen om de arbeid te induceren.

 

Mag een vroedvrouw de NIPT voorschrijven?

 

Enkel de arts die de zwangerschap opvolgt, mag een NIPT voorschrijven. De vroedvrouw mag dit bijgevolg niet doen.

Antwoord van RIZIV, mail 30/06/2017

 

Mag een vroedvrouw een bloedafname voorschrijven en op eigen initiatief uitvoeren?

 

A. PROBLEEMSTELLING 

 

"Onze studenten leren nog dat een bloedname een B2-handeling is (enkel op voorschrift van de arts). Vanuit eigen praktijkervaring weet ik dat vroedvrouwen echter zelf ook bloednames mogen voorschrijven en op eigen initiatief uitvoeren. Ik vroeg me af hoe dit (wettelijk) precies juist zit." 

 

B. WETTELIJK KADER 

 

Artikels 45-64 Gecoördineerde wet 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen KB 1 februari 1991 betreffende de uitoefening van het beroep van vroedvrouw KB 18 juni 1990 houdende vaststelling van de technische verpleegkundige prestaties en de lijst van de handelingen die door een geneesheer aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die prestaties en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen.

 

C. ADVIES 

 

 1. De uitvoering van een bloedafname bij een baby/pasbevallen vrouw 

Volgens art. 62, §1 d) Wet Uitoefening Gezondheidszorgberoepen mag de vroedvrouw autonoom de volgende handeling stellen: "preventieve maatregelen, het opsporen van risico's bij moeder en kind". Bijvoorbeeld het onderzoeken van het bilirubinegehalte in het bloed van een baby of het hemoglobinegehalte bij een pasbevallen vrouw vallen onder deze noemer. Dus de vroedvrouw mag autonoom beslissen dat een bloedafname noodzakelijk is. Maar de uitvoering van een dergelijke bloedafname is geen voorbehouden handeling van de vroedvrouw, wel een B2-verpleegkundige handeling. Elke veneuze bloedafname moet dus op voorschrift van een arts gebeuren. Er kan sprake zijn van een mondeling voorschrift (dat zo spoedig mogelijk schriftelijk wordt bevestigd), en dat is voor de uitvoering van deze handeling een vereiste.

2. De uitvoering van een bloedafname bij een zwangere

De uitvoering van een bloedafname bij een zwangere is een ander verhaal. Art. 4. § 2 van het KB 1991 betreffende de uitoefening van het beroep van vroedvrouw bepaalt: “§ 2. De houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw mag de diagnose van de zwangerschap stellen en moet zwangerschappen met verhoogd risico opsporen door indien nodig een of meerdere van de volgende onderzoeken en handelingen te verrichten of door erop toe te zien dat deze uitgevoerd worden :

1° het wegen;
2° urine-onderzoek;
3° meten van de bloeddruk;
4° meten van de hoogte van de baarmoederfundus;
5° abdominale palpatie;
6° beluisteren van de foetale harttonen;
7° vaginaal toucher en speculum onderzoek; vaginaal toucher en speculum onderzoek;
8° toezicht door cardiotocografie;
9° aanvraag voor echographisch onderzoek uit te voeren door een gespecialiseerd geneesheer;
10° aanvragen van bloedonderzoeken en andere aanvullende onderzoeken in het kader van de uitoefening van het beroep.

Dus in het kader van de opsporing van risico’s mag de vroedvrouw autonoom een bloedafname aanvragen en uitvoeren bij een zwangere. Bij de vaststelling van een pathologie verwijst de vroedvrouw door.

 

BESLUIT 

 

Voor de uitvoering van een bloedafname bij een baby en een pasbevallen vrouw is een voorschrift van een arts vereist, gezien dit een verpleegkundige B2-handeling is. Voor de bloedafname bij een zwangere is er geen voorschrift van een arts vereist, dit mag de vroedvrouw autonoom aanvragen en uitvoeren.  

Marlies Eggermon, jurist
22 november 2018

 

Permanente vorming

Hoe zit het precies met de wetgeving omtrent de Permanente Vorming?

 

In verband met de permanente vorming van vroedvrouwen (zoals beschreven in artikel 10 van het koninklijk besluit houdende wijziging van het koninklijk besluit van 1 februari 1991 betreffende de uitoefening van het beroep van vroedvrouw: K.B. 8 juni 2007) verscheen in het Belgisch Staatsblad van 5 mei 2010 een ministeriële omzendbrief. Deze brief bevat informatie over de modaliteiten in verband met het aantal uren permanente vorming dat door vroedvrouwen moet gevolgd worden. 

In het KB van 31/01/2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 februari 1991 betreffende de uitoefening van het beroep van vroedvrouw is de zin “De inhoud van de permanente opleiding moet worden goedgekeurd door de Federale Raad voor de Vroedvrouwen” verwijderd. De opleidingen moeten niet meer worden goedgekeurd maar de andere modaliteiten blijven van kracht. .

De permanente opleidingen, die werden gevolgd in het kader van de uitoefening van het beroep van vroedvrouw in de periode vanaf 30 juli 2007 tot op de datum van de ministeriële omzendbrief, zullen op basis van aanwezigheidsattesten in aanmerking komen. Iedere vroedvrouw dient deze attesten te bewaren in het licht van een eventuele controle.

(Update: 10/02/018)

 

Ik ben vroedvrouw maar ik werk als verpleegkundige. Moet ik ook deze 75 uur bijscholing volgen op 5 jaar?

Per oktober 2010 (Mr. J. Vande Moortel en Mr. M. Eggermont):

Ingevolge de wijziging van het art. 21noviesdecies van het KB nr. 78 dient de vroedvrouw om haar beroepstitel te behouden een permanente opleiding van 75u op 5 jaar volgen.

Een vroedvrouw die dus werkzaam is als verpleegkundige dient op zich de opleiding niet te volgen, doch het geniet wel de voorkeur indien ze wel nog van plan zou zijn om als vroedvrouw te gaan werken.

Voorlopig wordt er geen onderscheid gemaakt tussen vroedvrouwen die deeltijds of weinig in het beroepsveld staan, bv. lesgevers, stagebegeleiders en vroedvrouwen die voltijds werken op een materniteit, verloskwartier enz...

Lesgevers beoefenen niet meer de vroedkunde, ze onderwijzen wel. Het hangt af van de voorwaarde dat de werkgever (onderwijsinstelling) stelt voor de functie van lesgever nl. het diploma van vroedvrouw hebben en/of de titel van vroedvrouw hebben. Afhankelijk van dit antwoord, zal de vorming dienen te worden gevolgd.

Moet een verpleegkundige, die op de materniteit werkt, ook deze permanente vorming volgen?

Per oktober 2010 (Mr. J. Vande Moortel en Mr. M. Eggermont):

Een verpleegkundige die sporadisch op een materniteit werkt, hoeft niet de permanente opleiding van 75u te volgen.

Enkel de vroedvrouwen die als vroedvrouw werkzaam (ongeachte de frequentie) zijn, dienen de opleiding te volgen, teneinde de beroepstitel te behouden en te kunnen blijven werken.

Welke titel heeft men na afname van de beroepstitel van vroedvrouw?

 

Per oktober 2010 (Mr. J. Vande Moortel en Mr. M. Eggermont):

Voor de vroedvrouwen die ook het diploma van verpleegkundige hebben, is er geen probleem. Als de Federale Raad voor de Vroedvrouwen de beroepstitel van een vroedvrouw intrekt, dan behoudt deze persoon haar titel van verpleegkundige en kan ze ook blijven werken als verpleegkundige.

Voor de vroedvrouwen die niet het diploma van verpleegkundige hebben, is de regeling conform art. 21 quater KBnr. 78 van toepassing:

§1 Niemand mag de verpleegkunde zoals ze is bepaald (in artikel 21quinquies) uitoefenen die niet in het bezit is van het diploma of de titel van gegradueerde verpleger of verpleegster, van het brevet of de titel van verpleger of verpleegster, van het brevet of de titel van verpleegassistent of -assistente, en die bovendien de voorwaarden gesteld in artikel (21sexies) niet vervult. 
§ 2. Voor de uitoefening van de verpleegkunde wordt de persoon die in het bezit is van een diploma van vroedvrouw gelijkgesteld met de gegradueerde verpleger of verpleegster.
§ 3. De diploma's, brevetten of gelijkwaardige titels worden afgeleverd overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen.

Als de Federale Raad voor de Vroedvrouwen de beroepstitel van een vroedvrouw (3-jarige opleiding) intrekt, dan behoudt deze vroedvrouw haar diploma en kan ze nog steeds de verpleegkunde uitoefenen. In de regelgeving wordt dus een onderscheid gemaakt tussen de beroepstitel van een vroedvrouw en het diploma van een vroedvrouw.

 

Welke verplichtingen heeft de werkgever met betrekking tot terugbetaling en compensatie voor de uren permanente vorming die een vroedvrouw volgt? Kunnen deze uren beschouwd worden als werkuren?

Per juli 2011 (Mr. J. Vande Moortel en Mr. M. Eggermont):

De werkgever is verplicht aan de werknemer de nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen die voor de uitvoering van het werk noodzakelijk zijn. Het Hof van Cassatie neemt aan dit deze hulpmiddelen ook kosten zijn verbonden aan de uitvoering.

Zonder de permanente vorming kan een vroedvrouw niet meer wettelijk haar werk uitvoeren. Dus in dat opzicht zou men kunnen stellen dat de werkgever de kosten voor de permanente vorming volledig op zich dient te nemen. In ieder geval voorziet het KB van 25.04.2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen ook in "post" voor de ziekenhuizen om vorming van het personeel te vergoeden.

Er bestaat tevens een mogelijkheid (geen verplichting) dat de werkgever deze kosten aan zijn werknemers (in casu vroedvrouwen) terugbetaalt in de vorm van "vergoedingen voor beroepsuitgaven".
Dit zijn vergoedingen (geen loon) voor kosten die gemaakt worden door de werknemer, doch in het kader van zijn professionele activiteit, zoals bijvoorbeeld kilometervergoeding bij verplaatsingen met privé-wagen, vergoeding gebruik privé-GSM bij gesprekken voor het werk enz...

In casu is de vroedvrouw verplicht de kosten voor de permanente vorming te maken, wil ze haar titel behouden. De werkgever heeft er alle baat bij om vroedvrouwen in dienst te hebben die op de hoogte zijn van de nieuwste technieken en recente wetenschappelijke informatie, teneinde een kwalitatieve zorgverlening te bieden aan moeder en kind, cfr. de Wet op de patiëntenrechten van 2002. De werkgever kan bovendien aansprakelijk gesteld worden voor het niet verlenen van kwalitatieve zorgverlening aan de patiënten door de vroedvrouw.

Wat de arbeidsduur betreft: de tijd waarin de werknemer een opleiding of richtlijnen krijgt in verband met zijn arbeid, wordt beschouwd als arbeidsduur. De uren van de permanente vorming zijn dus arbeidsuren en dienen vergoed te worden als loon.

Betaald educatief verlof kan niet aangevraagd worden voor de permanente vorming, daar de opleiding minder is dan 32 lesuren per jaar. Zolang de opleiding niet erkend is door de FOD werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, kunnen ook geen opleidingscheques aangewend worden om de opleiding te bekostigen.

Farmacologie en voorschrijven van medicatie

Welke medicatie mag de vroedvrouw zelf voorschrijven en welke medicatie mag een vroedvrouw toedienen op voorschrift van de arts?

 

Op 14 januari 2014 verscheen het Koninklijk Besluit met betrekking tot het voorschrijfrecht van de vroedvrouw in het Belgische Staatsblad. 

Niet elke vroedvrouw zal plots medicatie mogen voorschrijven, een degelijke opleiding is vereist. 

De opleidingen Vroedkunde organiseren, in samenwerking met de BMA, de opleiding ‘Gespecialiseerde toegepast farmacologie’. Vroedvrouwen die hun diploma voor 1 oktober 2014 behaald hebben, moeten deze bijkomende opleiding van minimum 30 uren volgen. Na het succesvol volgen van de opleiding moet de vroedvrouw zich laten registeren bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid. Studenten vroedkunde die afstuderen na 1 oktober 2014, ontvangen op hun diploma-supplement een duidelijke vermelding dat hen de mogelijkheid geeft om geneesmiddelen voor te schrijven.

De vroedvrouw mag niet zomaar alle geneesmiddelen voorschrijven. Reeds enkele jaren geleden is er een advies betreffende de lijst van geneesmiddelen die de vroedvrouwen in het kader van hun activiteiten mogen voorschrijven gegeven door de Federale Raad voor de Vroedvrouwen en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde. Deze geneesmiddelen mogen voorgeschreven worden tijdens het toezicht op de normale zwangerschap, de normale bevalling en de eerste drie maanden van het postpartum. Op 19 september 2016 verscheen in het Staatsblad het Koninklijk Besluit van 1 september 2016 dat een wijziging en uitbreiding voorziet van de oorspronkelijk lijst (KB van 15 december 2013) van geneesmiddelen die mogen worden voorgeschreven. De lijst werd bij koninklijk besluit van 31 januari 2018 vervangen door onderstaande lijst.

Medicatie in het kader van de normale zwangerschap

  • Foliumzuur: tabletten van 0,4 mg of 4 mg (specialiteit of magistrale bereiding). Primaire of secundaire preventie van neurale buisdefecten.
  • Metoclopramide: tabletten van 10 mg, siroop van 5 mg/5 ml. Anti-emeticum.
  • Paracetamol: tabletten van 0,5 - 1g, zetpillen van 600 mg. Pijnstillend, koortswerend.
  • Anti-infectieuze vaginale crèmes en ovules: behandeling van symptomatische vaginale infecties.
  • Nitrofurantoïne: tabletten van 50 - 100 mg. Ontsmettingsmiddel bij asymptomatische urinaire infectie (tot de 36ste week van de zwangerschap).
  • Anti-Rho immunoglobuline D: IM ampullen. Preventie van iso-immunisatie bij rhesus negatieve moeders.
  • Influenza vaccin: preventie van griep.
  • Combinatievaccin kinkhoest - difterie - tetanus: beschermt de baby tijdens de eerste weken tegen verschillende ziektes in afwachting van zijn vaccinatie.
  • Orale preparaten met ijzer: behandeling van een te laag ferritine gehalte.
  • Ranitidine: 150 mg.
  • Omeprazole: 20 mg. Behandeling van reflux.
  • Gemicroniseerde progesteron: 200 mg. Orale en/of vaginale toediening. Preventie van symptomatische activiteit van de uterus.

Geneesmiddelen tijdens de arbeid en de bevalling

  • Lidocaïne chloorhydraat.
  • Mepivacaïne chloorhydraat. 1 en 2% zonder adrenaline. Plaatselijke verdoving voor het hechten van het perineum.
  • Oxytocin: ampul van 10 IE. IM toediening. Ter preventie van post-partum bloedingen.
  • Penicilline G of Amoxicilline via intraveneuze toediening: voor de moeders die GBS (groep-B-streptokokken) positief zijn om besmetting van pasgeborene te voorkomen. In het kader van een ziekenhuisbevalling.

Geneesmiddelen gebruikt tijdens het postpartum

  • Oxytocin: ampul van 10 IE. IM toediening. Bevorderen van de sub-uterine involutie.
  • Diclofenac: tabletten van 75 mg, zetpillen van 100 mg.Ontstekingsremmend, pijnstillend.
  • Ibuprofen: tabletten van 200-400 mg. Ontstekingsremmend, pijnstillend.
  • Paracetamol tabletten van 0,5 - 1 g, zetpillen van 600 mg. Pijnstillend, koortswerend.
  • Antimycotica en/of antibacteriële crème: lokale behandeling van mycosis of van infecties van de tepels.
  • Nystatine suspensie en miconazol gel: orale en/of lokale behandeling van mycosis van de zuigeling.
  • Misoprostol: tabletten van 0,2 mg rectaal of oraal.
  • Fytomenadion (of vitamine K1): pediatrische ampullen. Preventie van bloedingen bij pasgeborenen.
  • Anti-Rho immunoglobuline D: IM in ampullen. Preventie van iso-immunisatie bij rhesus negatieve moeders
  • Hepatitis B vaccin: pediatrische vorm "junior".
  • Immunoglobulines tegen hepatitis B: onder intramusculaire vorm met een andere injectieplaats dan het vaccin. Enkel bij een bevalling in het ziekenhuis voor pasgeborenen waarvan de moeder HBs antigeen (+) positief is.
  • Cabergoline: tabletten van 0,5 mg. Lactatieremming.
  • Levonergestrel: tabletten van 0,03 mg. Orale hormonale contraceptiva op basis van zuiver progesteron.
  • Desogestrel: tabletten van 0,075 mg. Orale hormonale contraceptiva op basis van zuiver progesteron.
  • Ethinyl-estradiol: tabletten van 0,02 mg. Oestro-progestativa zonder progestatif van de 4de generatie.

Inhoud van de urgentietas voor de vroedvrouw die buiten het ziekenhuis werkt

  • Medische zuurstof en toedieningsmateriaal (masker,...), Mayo canule.
  • Steriele kompressen, verbanden...enz.
  • Fysiologisch serum: 1 liter.
  • Plasma expander: 1 liter.
  • Oxytocin: ampul van 10 IE (5 ampullen). Preventie en behandeling van post-partum bloedingen.
  • Misoprostol: tabletten van 0,2 mg rectaal of oraal (1 doos).
  • 15-methyl-F2-a-prostaglandine (of carboprost): IM (2 ampullen). Behandeling van ernstige post-partum bloedingen.
  • Adrenaline: Epipen, ampul van 0,3 mg. Reanimatie of behandeling van anafylactische shock.

Dit is de lijst van geneesmiddelen die nu voor ons ligt. Jaarlijks komen er echter nieuwe geneesmiddelen op de markt en verdwijnt er ook weer een deel. Afhankelijk van de evolutie zal er in de toekomst een wijziging of uitbreiding van de bevoegdheden kunnen gevraagd worden. 

Update: 12/03/2018

 

Administratie en documenten

Waar kan ik dan een geneesmiddelenvoorschriftenboekje bekomen?

Vroedvrouwen die hun diploma voor 1 oktober 2014 behaald hebben, moeten eerst een bijkomende opleiding van minimum 30 uren volgen. Na het succesvol volgen van de opleiding moet de vroedvrouw zich laten registeren bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid. Studenten vroedkunde die afstuderen na 1 oktober 2014, ontvangen op hun diploma-supplement een duidelijke vermelding dat hen de mogelijkheid geeft om geneesmiddelen voor te schrijven.

Het RIZIV heeft zich op deze maatregel voorbereid en daarvoor onder andere contact opgenomen met de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid (die dat KB beheert). De exacte datum waarop vroedvrouwen die beperkte lijst van geneesmiddelen zullen kunnen voorschrijven, is afhankelijk van de registratie van die vroedvrouwen (die de bijkomende opleiding hebben gekregen). Formeel doet de Minister dit, maar in de praktijk zal de FOD Volksgezondheid dit uitvoeren (zie artikel 1, §2 van het KB). Contacten met de FOD spreken van een termijn van enkele maanden om die registratieprocedure uit te werken en die voor de eerste groep van vroedvrouwen die aan de voorwaarden voldoen effectief toe te passen. Over die registratieprocedure zal de FOD Volksgezondheid binnenkort een mededeling plaatsen op hun website (www.health.fgov.be). Die mededeling zal ook de contactgegevens omvatten van de betrokken organen/personen binnen de FOD. 

Vervolgens zal de FOD een lijst van de geregistreerde vroedvrouwen aan het RIZIV bezorgen. De bekwamingscode (de laatste 3 cijfers van het RIZIV-nummer) van de vroedvrouw zal veranderd worden zodat alle partners en hun informaticatoepassingen eenvoudig de vroedvrouwen herkennen die de geneesmiddelen uit die beperkte lijst mogen voorschrijven. Vanuit het RIZIV zullen ook instructies worden gegeven naar o.a. apothekers in het kader van die nieuwe bevoegdheden. 

Ook voor de voorschriftenboekjes wordt er een regeling uitgewerkt. De timing hiervan is dus afhankelijk van de termijnen van die registratieprocedure bij de FOD.

Vanuit de VBOV zullen wij u op de hoogte houden van de verdere evoluties.

Wat is de wettelijke bewaartermijn van de duplicaten van de getuigschriften voor verstrekte hulp (GVVH) en het patiëntendossier?

 

Per april 2017 (Marlies Eggermont, advocaat):

A. Bewaartermijn GVVH
Volgens artikel 315 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, moet elke zorgverlener, dus ook de vroedvrouw, de duplicaten van de getuigschriften voor verstrekte hulp bijhouden tot het verstrijken van het zevende jaar of zevende boekjaar volgend op het belastbaar tijdperk. Dit is dus naar fiscaliteit toe, zodanig dat een controle door de fiscus mogelijk blijft.

B. Bewaartermijn dossier
Volgens artikel 9 §6 van de nomenclatuur moet de zelfstandige vroedvrouw haar dossier ten minste vijf jaar, vanaf de laatste geattesteerde verzorging, bewaren. Dit voldoet in de praktijk niet. Naar aansprakelijkheid toe verjaart een contractuele vordering slechts na tien jaar. Elke zelfstandige vroedvrouw heeft een (vaak mondeling) contract met haar patiënte. Een buitencontractuele vordering (op grond van artikel 1382 BW) verjaart slechts na vijf jaar, te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop het slachtoffer kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, overeenkomstig artikel 2262bis BW. De vordering verjaart in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft
voorgedaan. De ziekenhuizen zijn verplicht om het medisch dossier dertig jaar en het verpleegkundig dossier twintig jaar bij te houden.1 Ook de Orde van artsen raadt de artsen aan om hun dossiers minstens dertig jaar te bewaren, te rekenen vanaf het laatste contact met de patiënt.2
Dus rekening houdend met de verschillende termijnen, geniet een bewaartermijn van twintig jaar van het dossier van de zelfstandige vroedvrouw de voorkeur.
 

Update: 5/06/2020

 

Varia

Wat zijn de rechten van een (on)geboren kind?

 

Per april 2017 (Marlies Eggermont, advocaat):

A. Rechten van een (on) geboren kind

1. Rechtspersoonlijkheid
Een persoon krijgt pas rechtspersoonlijkheid indien hij levend en levensvatbaar geboren wordt. Dat is de traditionele regel in het burgerlijk recht, met name dat de persoonlijkheid slechts begint bij de geboorte, op voorwaarde dat de foetus levend en levensvatbaar geboren wordt. Dit laatste is een medische beoordeling. Een ongeboren kind heeft echter wel rechten, wanneer dit in het belang is van de aanstaande persoon. Het ongeboren kind moet wel verwekt zijn. Volgens de wet wordt een kind, behoudens tegenbewijs, vermoed te zijn verwekt in het tijdvak van de 300ste tot en met de 180ste dag vóór de geboortedag.1 Pas vanaf die tijdspanne is er sprake van verwekking en kunnen er desgevallend
rechten worden toegekend aan het ongeboren kind. Een typisch voorbeeld hiervan vindt men in het erfrecht. Een ongeboren kind kan begunstigde zijn van een erfenis/schenking/testament van zijn vader (overleden vóór de geboorte), maar wel op voorwaarde dat het levend en levensvatbaar geboren wordt.

Voor zorgverleners werkzaam in de verloskunde is dit principe ook van belang in het kader van de wrongful life en wrongful birth vorderingen. Een wrongful life-vordering is een vordering die ingesteld wordt door de ouders, maar in naam van het (gehandicapte) kind zelf. Het kind vordert vergoeding van de zorgverlener die zijn bestaan niet heeft voorkomen, omdat het liever niet in een dergelijk leven was terecht gekomen. Het kind verwijt de zorgverlener een aandoening niet (tijdig) te hebben onderkend en gesignaleerd aan de ouders met het oog op een therapeutische zwangerschapsafbreking. Een wrongful birth-vordering gaat uit van de ouders en houdt een vordering tot vergoeding in van de opgelopen vermogensschade, voortvloeiend uit de geboorte van het kind. Het typische voorbeeld van een dergelijke zaak is een op echo gemist neuraal buisdefect. Het kind wenste niet met een dergelijke handicap te leven en de ouders kregen niet de kans om tot een abortus te beslissen.

2. Strafrechtelijke bescherming
Los van het bovenvermelde heeft een foetus ook recht op strafrechtelijke bescherming. Het Hof van Cassatie nam in 1987 een innovatief standpunt in. Het Hof oordeelde dat de criteria van het burgerlijk recht om het recht op rechtspersoonlijkheid te erkennen vreemd waren aan de strafrechtelijke materie en de strafwet bescherming verleende aan een foetus die betrokken was in het geboorteproces, maar nog geen leven buiten de baarmoeder heeft gekend.3 ‘In het geboorteproces’ betekent tijdens de bevalling, die zich inzet met de arbeid. Aanleiding van dit cassatiearrest was de veroordeling van een vroedvrouw en een gynaecoloog in 1986 door het Luikse hof van beroep voor de onopzettelijke doding van een tweeling. Eén baby stierf in utero en de andere baby stierf de dag na de geboorte. De gynaecoloog liep ook een veroordeling op wegens schuldig verzuim ten aanzien van de moeder.4 In navolging van deze cassatierechtspraak hebben onzorgvuldigheden begaan vóór de start van de arbeid dan ook telkens tot de vrijspraak van de betrokken zorgverleners geleid. Concreet betekent dit dat de foetus vanaf de start van de arbeid recht heeft op strafrechtelijke bescherming, dus zorgverleners moeten naast de gezondheid van de moeder ook de gezondheid van de foetus bewaken, op straffe van een veroordeling (vaak wegens schuldig verzuim).

3. Uitoefening patiëntenrechten
Eens de baby levend en levensvatbaar geboren is, start de burgerlijke rechtspersoonlijkheid die voor de zorgverlener relevant is. Vanaf dat moment is er sprake van een patiënt die zijn/haar patiëntenrechten kan doen gelden, onder meer het recht op kwalitatieve zorgverlening.
Overeenkomstig de patiëntenrechtenwet van 2002 oefenen de ouders als vertegenwoordiger de patiëntenrechten van hun baby uit. Zijn de zorgverleners (multidisciplinair team) het niet eens met de mening van de vertegenwoordigers (bijv. niet reanimeren), dan kunnen ze deze mening overrulen, indien ze van oordeel zijn dat dit niet in het belang is van de baby. Een goede motivatie in het patiëntendossier is een must. Dus concreet als een baby prematuur geboren wordt, maar medisch gezien een goede overlevingskans heeft, kunnen de zorgverleners beslissen om de baby intensieve zorgen toe te dienen, in strijd met de visie van de ouders, die geen interventie willen
_______________________

1 Art. 326 BW.
2 Art. 725 en 906 BW.
3 Cass. 11 februari 1987, Vl.T.Gez. 1987, 41, noot J.J. ANDRÉ, JLMB 1987, 630, noot M. PREUMONT en JT 1987,
738, noot F. KEFER.
4 Luik 25 juni 1986, JL 1986, 674.
 

Update: 6/6/2017

 

 

Blijf je nog op je honger zitten, kan je geen antwoord vinden op je vraag? Contacteer ons via het contactformulier of neem telefonisch contact met ons op.